Domestica Rotterdam ‘een progressieve tak van het Rotterdams Philharmonisch Orkest’

Sander Lekkerkerk, pianostudent aan hogeschool voor de kunsten Codarts, bezocht op 30 november het concert van Domestica Rotterdam in de Laurenskerk. Lees hieronder hoe hij het concert heeft ervaren.

 

“In een tijd waarin het steeds moeilijker is publiek te vinden voor klassieke muziek, is het soms noodzakelijk je buiten platgetreden paden te begeven. Dat kan op verschillende manieren. Zo kan je publieksopstellingen veranderen, de locaties van de artiesten, meerdere kunstdisciplines samen laten werken op onorthodoxe wijze en niet alledaagse programmeringen gebruiken voor concerten. Dit had Domestica Rotterdam ook bedacht en al deze punten verwerkt in dit in alle opzichten origineel concert.

De prachtige Renaissancewerken, die soms bewerkt waren door Jan Willem Nelleke en gespeeld werden door de leden van dit ensemble (dat overigens een progressieve tak van het Rotterdams Philharmonisch Orkest is), kwamen goed tot hun recht. De mengeling hiervan met hedendaagse werken was opvallend, maar ook weer niet.  Tussen alle stukken door kwam een persoon dat enigszins verdwaasd leek (mede door zijn uiterlijk) op met een korte monoloog over de schoonheid die standaard begon met de woorden: ‘Wat als de schoonheid…’. Deze fraaie teksten van Erik-Ward Geerlings waren mooi en gaven het concert extra sfeer, mede doordat de schrijver/acteur over elke tekst ontevreden bleek nadat deze was voorgedragen (met een overslaande stem) verfrommelde en daarna weggooide. Toch werd het op een gegeven moment bijna een overdosis en saai, omdat het net iets te weinig variatie bezat. Vooral de overslaande stem werd later een klein punt van ergernis.

Samen met de teksten en muziek vanuit nog meer hoeken stereo gespeeld kwam er een hele mooie sfeer van slapende schoonheid tot stand. Het lichtontwerp van Paul van Laak heeft hier zeker aan bijgedragen. In het programmaboekje stond dat hij licht als extra acteur zag. Tijdens dit concert is dat concept duidelijk overgekomen en ook tot zijn recht gekomen. De mengelingen van stukken van Francesco Landini, Carlo Gesualdo, Girolamo Frescobaldi, John Cage, György Ligeti en Luciano Berio lijken een vreemde combinatie, maar omdat alle stukken een duidelijk meditatief noot-tegen-nootkarakter hadden, werd duidelijk dat schoonheid misschien van beeld kan veranderen door de tijd heen, maar in essentie ook hetzelfde blijft. Het enige stuk wat er een beetje tussen uitstak qua sfeer was het Concerto Grosso op. 3 no. 5 in D groot van Pieter Hellendaal(1721-1799). Al qua leefperiode stak hij er tussenuit. Het was hoogstwaarschijnlijk uitgekozen om een beetje variatie in het programma te krijgen (het was geplaatst in het midden van het concert) en daarnaast van een echte Rotterdamse componist. Het was een geslaagd concert dat een mooie en inspirerende indruk achterliet waar ik nog met veel plezier op terugkijk en anderen aanraad ook eens naar toe te gaan.”